Posts Tagged with “Wiet”

08/08/2015

Drugspand

In de straat waar ik woon is het meestal een saaie bedoening. Dat vind ik een voordeel want het is er heerlijk rustig wonen. Het is een gewone straat met goed onderhouden rijtjeshuizen. De bewoners vormen een aardige afspiegeling van de Nederlandse samenleving: veel gezinnen met pasgeborenen en pubers, plus enkele bejaarden. Mijn vriend en ik vormen het broodnodige buitenissige huishouden.

Zoals dat hoort in een doorsnee straat zijn de bewoners van één bepaald huis de paria’s van de buurt. Hij is een hardwerkende visboer. Zij is het soort trophy-wife die in Rachèl Hazes een stijlicoon ziet, en dus voorzien is van een kastanjebruine coupe en een dito huidskleur door overmatig zonnebankgebruik. Het gezin wordt gecompleteerd door twee opgeschoten zonen, die op hun achttiende verjaardag een lawaaiige Golf GTI met dubbele uitlaat kochten. Vanwege het beperkte aantal parkeerhavens in de straat, zorgen zij – met het gemiddelde van één auto per hoofd van het gezin – voor een acuut parkeerprobleem. Deze parkeerperikelen zorgden voor een levendig roddelcircuit. Ik probeerde me afzijdig te houden van al dat geroddel, want voor mijn fiets heb ik geen parkeerruimte nodig. Bovendien leek bonje met de buren me ook niet goed voor mijn woonplezier.

Even leken alle problemen zich spontaan op te lossen, toen de ouders verhuisden en hun huis bij ons in de straat in de verkoop zetten. Omdat een onbewoond huis slecht verkoopt, bleven de zonen in hun ouderlijk huis wonen. Vanaf het ontbreken van elke vorm van ouderlijk toezicht, blijven alle rolgordijnen (zelfs die in de huiskamer) overdag gesloten. Kort daarna gevolgd door een constante stroom van louche types op scooters die tot diep in de nacht voor de deur stoppen, schichtig naar binnen gaan en binnen vijf minuten met luid optrekken weer vertrekken. Daar lig ik dus ‘s nachts wakker van. En heb dan alle tijd om doemscenario’s te bedenken over wat er in dat huis gebeurt. Gevaarlijke toestanden zoals een grootschalig XTC-laboratorium op zolder of een wietplantage in de achtertuin. En ik maak me zorgen over wat een drugspand in de straat betekent voor de waarde van ons koophuis.

Omdat ik niemand vals wil beschuldigen, ga ik de buurjongens straks onverwachts bezoeken om hen simpelweg te vragen wat ze in dat huis uitspoken. Als je niets meer van mij hoort dan hebben twee beginnende drugsbaronnen voorgoed met mij afgerekend. Neem dan alstublieft contact op met de politie.

 

23/06/2015

Stoned

‘Who says I can’t get stoned?’ is de openingszin van een fijn liedje van John Mayer. Deze retorische vraag heb ik mezelf ook regelmatig gesteld. Vooral sinds ik aangekondigd had dat ik dit jaar een flinke joint wilde roken. Er werd in mijn omgeving raar opgekeken van mijn goede voornemen. Het wekte de indruk dat Nederlanders helemaal niet zo ruimdenkend zijn over drugs, zoals we zelf graag doen geloven. Voor mij een uitstekende aanleiding om een geestverruimende drug te proberen.

Problematisch was dat ik zelf helemaal niet een coffeeshop durf binnen te stappen. Ik ging dus gretig in op een uitnodiging om bij een vriend thuis high te worden. Hij had namelijk nog wiet in de vriezer liggen. Het blijkt dus dat je, net als de spruiten en tuinbonen, wiet vers blijft door het in te vriezen. Mijn geest werd meteen al verruimd door deze baanbrekende huishoudtip.

Afgelopen weekend zat ik met wat vrienden rond een waterpijp. De waterpijp was een zelf in elkaar geknutseld geval van een een petfles en een balpen. Om over de longen te roken moest ik eerst het gebruik van de waterpijp doorgronden. Eerst moest ik inademen met mijn vinger op een gaatje in de fles. Om daarna te inhaleren zonder de fles af te sluiten. Voor iemand die de blokfluit al een uitdagend instrument vond, was het bepaald niet makkelijk. Nadat het eindelijk me gelukt was om wat van de rook te inhaleren, keken we naar Judge Dredd. Door de slow motion beelden in de film bedacht ik een briljant concept om door de tijd te kunnen reizen. Ergens halverwege de uitleg van mijn hypothese aan vrienden, had ik in de gaten dat ik onzin uitkraamde. Ik was stoned. Ik kreeg een vreetkick. En toen viel ik in slaap. Van de rest van de avond herinner ik me niets.

Deze ervaring rijker, probeer ik te bedenken wanneer ik ooit weer de behoefte krijg om een joint te roken. Ik kan één praktische toepassing bedenken waarvoor het nuttig is om high te zijn. Voor iemand zoals ik, met hoogtevrees, is het prettig om op grote hoogte in een vliegtuig stiekem een jointje op te steken, zodat ik de rest van de vlucht slapend doorbreng. Met als risico dat je betrapt wordt en de vakantie in het buitenland begint in een spartaanse cel.

Of ik geef eerlijk toe dat stoned zijn nergens goed voor is. Hoe bekrompen dat ook klinkt.

 

09/01/2015

Joint

Het is stom toeval dat ik voor 2015 een goed voornemen heb. Als ik een voornemen heb, breng ik dat liever meteen in de praktijk. Ik vind het ronduit stompzinnig om dan daarmee te wachten tot 1 januari van het volgende jaar.

Vorig jaar, vlak voor de kerstdagen, schoot me op de valreep nog een goed voornemen te binnen. Dat voornemen was volstrekt ongeschikt om te combineren met de feestdagen. Mijn schoonouders hadden het onprettig gevonden, als ik het tijdens het kerstdiner niet had gelaten bij het drinken van een goed glas wijn. En op oudejaarsavond leek het me onverstandig, vanwege de eventuele hallucinerende bijwerkingen van het kleurrijke siervuurwerk. Dus heb ik me voor 2015 voorgenomen om eindelijk eens een joint te gaan roken.

Dat ik het gebruiken van drugs tot een ‘goed’ voornemen bombardeer, is volstrekt discutabel. En natuurlijk heb ik eerder weleens een joint in mijn handen gehad. Toen heb ik alleen heel lafjes – dus niet over de longen – dat spul geïnhaleerd. Ik durfde het gewoon niet. Vooraf had ik de fout gemaakt om op internet gebruikerservaringen te lezen, en daardoor was ik flink bang geworden. Enge verhalen over mensen die een levenslange angststoornis overhouden aan een zogenaamde ‘bad trip’. Of mensen die terwijl ze high zijn van een balkon springen van de achtste verdieping van het hotel om te gaan zwemmen. Ik vind mezelf een verstandig mens maar het werd me duidelijk dat je, naast high, ook heel onverstandig wordt van wiet.

Het kan niet langer dat ik nog nooit wiet heb gebruikt. Tot dit besef kwam ik toen mijn Nederlandse accent werd herkend, door twee opgeschoten pubers die ik de weg vroeg in het oost-Duitse Stralsund. Ze vroegen me giechelend of ik wiet verkocht. Toen ik dat ontkende waren ze hogelijk verbaasd. Dat hele gedoogbeleid is toch onlosmakelijk onderdeel van de Nederlandse identiteit. In mijn woonplaats Enschede, zit op elke straathoek een coffeeshop waar nauwelijks koffie geserveerd wordt. En nietsvermoedende asielzoekers krijgen op de eerste les van de inburgeringscursus bij binnenkomst al hun eerste joint tussen de lippen gestoken.

En ik, als Nederlander, verkondig al jaren huichelachtig dat wiet geen effect op me heeft. Het is tijd dat ik zelf ga ervaren of ik iets aan dat high worden mis. Onder de strikte voorwaarde dat het in een gelijkvloers gebouw zonder aanpalend zwembad gebeurt. Als voorzorgsmaatregel voor alle slechte voornemens die ik mogelijk onder invloed krijg.

21/03/2010

Oor

Vraag een toerist waarvoor hij naar Amsterdam reist en je krijgt antwoorden in de orde van tulpen, de Hollandse meesters, wiet en de Wallen. Die laatste twee zijn waarschijnlijk de belangrijkste redenen voor het bezoek aan Nederland. Maar het is verstandig om, als je er dan toch bent, wat musea te bezoeken. Dan zijn de vakantiefoto’s (of een selectie daarvan) ook geschikt om aan je ouders te laten zien.

Omdat ik niet opgewonden raak van schaars geklede vrouwen die goed uitgelicht zijn, sla ik de Wallen meestal over. Ook voor wiet hoef ik niet naar Amsterdam. De enige keer dat ik wiet heb gerookt, merkte ik er bar weinig van. Gelukkig houd ik ervan om urenlang rond te dwalen in musea dus is er voor mij genoeg te beleven in Amsterdam. Dat heb ik als puber ontdekt toen ik het Rijksmuseum bezocht om research te doen voor een werkstuk voor het vak Geschiedenis. Daarvoor moest ik een werkstuk schrijven over een facet van de historie van Nederland. Het leek mij voor de geschiedenisleraar prettig dat tenminste één werkstuk niet over de Tweede Wereldoorlog zou gaan. Daarom, en omdat ik een berekenende puber was die dacht dat het een hoger cijfer zou opleveren, schreef ik een werkstuk over Rembrandt. Eerst wilde ik het over Van Gogh doen maar door het afgesneden oor leek me dat te deprimerend. Sindsdien heb ik het Van-Goghmuseum angstvallig vermeden.

Tijdens mijn laatste bezoek aan Amsterdam ontkwam ik er niet aan. Vrienden van mij wilden naar het Van-Goghmuseum dus ging ik mee. Het bleek dat Vincent tijdens zijn leven als kunstenaar nooit is begrepen. Ik begreep waarom. Zo zien de gezichten van de geschilderde mensen op het schilderij  ‘De Aardappeleters’ er aardappelachtig uit. Trok dit mislukte schilderij werkelijk honderdduizenden toeristen per jaar? Het schilderen zal als uitlaatklep therapeutisch zijn geweest voor van Gogh, goed onder de knie heeft hij de schildertechnieken nooit gekregen. Alleen de schilderijen met bloemen erop vond ik aardig.

Mijn conclusie was dat Vincent van Gogh een verdienstelijk schilder van bloemetjesbehang was geweest. ‘Moet je dan niet minstens één meesterwerk hebben geproduceerd om een eigen museum te verdienen?’ vroeg ik me hardop af. ‘Cultuurbarbaar,’ siste een vriend mij boos toe. Ik voelde me net zo onbegrepen als Vincent zich als schilder moet hebben gevoeld.

De volgende keer in Amsterdam, ga ik toch maar aan de wiet. Of naar de Wallen.