13/08/2015

Poppedeintje

Mijn omstreden mening over de Nederlandse Spoorwegen deel ik met bijna niemand, want ik vind als een van de weinigen in Nederland reizen per trein prettig. De enige kritiek die ik kan verzinnen is dat de NS nogal paniekerig wordt van elk vlokje sneeuw. Al hebben ze in het KNMI altijd een trouwe medestander, omdat zij met hun dwaze weeralarmen nog hysterischer reageren op sneeuw. Verder heb ik goede ervaringen met de NS: treinen rijden op tijd, de conducteurs zijn aardig en in de treincoupé tref je vaak interessante mensen. Precies de reden waarom ik nooit in de stiltecoupé ga zitten, want zonder te praten leer je je medepassagiers een stuk lastiger kennen.

Ik heb de theorie ontwikkeld dat mensen zich zo thuis voelen in de trein, door die knusse zitjes tegenover elkaar. Met als welkom bijkomend effect dat er altijd ergens een persoonlijk gesprek wordt gevoerd tussen vriendinnen of collega’s. Dat gesprek begint vaak vrij oppervlakkig. Maar naarmate de trein langer onderweg is, vergeten ze dat er vijftig wildvreemden bij hen in de coupé zitten, en wordt het gesprek gestaag persoonlijker. Ondertussen luister ik stilletjes naar gesprekken over relaties en het aanverwante seksleven. Of laatst in de trein naar Utrecht, hoorde ik de ins en outs van de belastingaangifte over 2014, van een beursgenoteerd bedrijf. Dat vind ik gezellig.

Toen ik afgelopen zaterdag met een vriend naar Amsterdam reisde, om een tentoonstelling te bezoeken, had ik verwacht de rollen eens om te draaien. Het doel was om tijdens de reis uitgebreid met hem bij te praten, en anderen eens ongegeneerd te laten meeluisteren. Daar kwam helemaal niets van terecht. Vanaf het vertrekpunt Enschede zat de trein al bomvol, als je dat tegenwoordig nog van het openbaar vervoer mag zeggen.

Wij kregen in zo’n zitje voor vier personen gezelschap van een oudere dame. Zij zat duidelijk om een praatje verlegen en vol van verhalen. En dat kregen wij dus tijdens de verdere treinreis over ons uitgestort. Nabij station Enschede-West wisten we al dat zij de weduwe was van een plaatselijk erg gerenommeerde notaris, al leek ze om zijn dood niet rouwig te zijn. Sinds zijn overlijden schreef ze haar autobiografie. De uitgever van wijlen Jan Wolkers wilde het graag uitgeven, vertelde ze herhaaldelijk. Onbegrijpelijk, want ik vond haar langdradige jeugdverhalen – vol ouderwetse termen als ‘begeerlijk poppedeintje’ – slaapverwekkend. Bij elk station hoopte ik heimelijk dat ze zou uitstappen. Het verklaart de populariteit van de stiltecoupé.