Category “Reizen”

30/11/2014

Eiland

Ik ben een stadsmens. Dat komt doordat ik vanaf mijn vroege jeugd als Fries geïndoctrineerd ben met de gedachte dat steden bijzonder zijn. Friesland telt slechts elf steden. In één daarvan ben ik geboren. In nog twee andere Friese steden heb ik gewoond. Ondanks dat ik Friesland een prachtige provincie vind, zijn die elf steden hun stadsrechten in de tegenwoordige tijd natuurlijk niet meer waard. De dooie boel in die Friese steden, met enkel een verpauperde hoofdstraat met een overdosis aan souvenirwinkeltjes, staat in schril contrast tot de levendigheid van wereldsteden als New York, Berlijn, Parijs of zelfs ons eigen Amsterdam.

Tegenwoordig woon ik in Enschede. Een middelgrote stad met alle voorzieningen die je als mens nodig hebt: een fatsoenlijk centrum om in te winkelen, veel restaurants en cafeetjes, een theater en poppodium, beiden met een gevarieerd programma. Enschede heeft met de Wesselerbrink zelfs een heuse achterbuurt. In de volksmond noemt men die wijk de Wesselerbronx. Ik zie dit als teken van de ontwikkeling van Enschede tot wereldstad in spé.

Gelukkig beschikt Enschede ook een NS-station met een rechtstreekse verbinding naar Schiphol. Want ondanks dat ik Enschede een prettige woonplaats vind, is het als stad niet bruisend genoeg voor mijn innerlijke stadsmens. Sommige mensen vinden een stad als Enschede al te groot en te druk. Om mijn batterij weer op te laden met allerlei nieuwe indrukken, bezoek ik juist jaarlijks een nog grotere wereldstad met een goede vriend.

Dit jaar ging er het mis bij het boeken van onze citytrip. De vluchttijden waren onhandig gepland, hotels waren allemaal volgeboekt of er was nog precies een laatste hotelkamer van postzegelformaat tegen een woekerprijs beschikbaar. Daarom bevond ik me afgelopen weekend ineens op een eiland dat in alle opzichten het tegenovergestelde is van een wereldstad: Schiermonnikoog.

Van mijn wilde plannen kwam weinig tot niets terecht. Uitgebreid shoppen bleek onmogelijk met slechts tien piepkleine winkeltjes. En na het uiterst christelijke tijdstip van elf uur ‘s avonds, was er van enig uitgaansleven al geen sprake meer. Voor dit verstokte stadsmens zat er niets anders op dan te gaan uitwaaien op het strand. Tijdens een ellenlange strandwandeling kwam ik maar één ander mens en ‘n loslopende hond tegen. Toen ik een politieauto met daarop de leus ‘dienstbaar en waakzaam’ zag, vond ik dat gewoon geloofwaardig en kwamen er geeneens cynische gedachten bij me op. Ik weet niet wat dit precies betekent, maar ik vermoed dat het iets goeds is.

28/09/2014

Trend

Een van mijn favoriete bezigheden tijdens de vakantie is het spotten van een trend, die ik mee naar huis kan nemen om in Nederland te introduceren. Dat is weer eens iets anders dan als toerist thuiskomen met het zoveelste souvenirtje, dat steevast naar zolder verdwijnt. Bovendien kan ik door het introduceren van zo’n trend koketteren met hoe vernieuwend ik ben.

Na urenlang observeren op diverse dun- en dichtbevolkte plaatsen zoals Stockholm en By, durf ik te stellen dat de Zweden niet heel erg vooruitstrevend zijn. Dat leid ik af uit het feit dat de Zweden nog steeds tussen de middag warm eten. Een gebruik dat in Nederland al decennia geleden in onbruik is geraakt. Het stelde me teleur. Juist van de inwoners van het land dat de wereld verovert met ketens als IKEA, H&M en pakkende popdeuntjes van Zweedse makelij, had ik hoge verwachtingen. De Zweedse bevolking is helaas dus nogal doorsnee.

Net zoals Nederland, tiert ook in Zweden de hipsterlook welig. Al moet ik eerlijk bekennen dat de Zweedse hipstermannen er beter mee wegkomen, met de oversized bril, de man bun en een zorgvuldig gestylede onverzorgde baard. De Zweedse hipsterman ziet er niet uit als de Nederlandse sulletjes die wanhopig proberen cool te zijn. De Zweedse hipster is woest aantrekkelijk. Na lang denken heb ik daarvoor een plausibele, geschiedkundige theorie bedacht. De Zweedse man stamt rechtstreeks af van de Vikingen. Hij is gewend aan lang haar & een baard. Voor hem is het volkomen natuurlijk, in plaats van de zoveelste look om in de mode te blijven.

De enige opvallende bezigheid die ik in Zweden heb ontdekt, is dat zij graag in het openbaar telefoneren. Natuurlijk doen we dat in Nederland ook. Alleen nemen wij beschaamd de telefoon op in een overvolle treincoupé of een winkel, bang dat het een noodgeval is. En kappen een gesprek razendsnel af door te beloven om terug te bellen. In Zweden zijn ze die schaamte ver voorbij. Zij voeren overal lange telefoongesprekken. In de supermarkt, bij de tramhalte, zelfs in een chic restaurant. Ongeacht de omgeving, die gesprekken werden luidkeels gevoerd. Er werd in het openbaar echt uitgebreid telefonisch geruzied (dat was op te maken uit de toon van het gesprek zonder het Zweeds te verstaan).

Het lijkt me heel bevrijdend om overal ongebreideld telefoongesprekken te voeren. Toch twijfel ik nog of ik met deze trend in Nederland voorop wil lopen.

24/09/2014

Uitspraak

Tijdens de vakantie stippelen mijn vriend en ik de route naar onze vakantiebestemming het liefst uit op papieren wegenkaarten. Natuurlijk hebben we ook een navigatiesysteem bij ons, toch de standaarduitrusting voor de massatoerist. Voor ons is het een uitdaging om puur op basis van zo’n wegenkaart te navigeren. Het navigatiesysteem zetten we alleen aan voor acute noodgevallen, bijvoorbeeld om een parkeergarage te vinden. Het enige nadeel van die grote papieren kaarten is het opvouwen, dat blijft (zelfs na jarenlange oefening) een crime.

Misschien moet ik het gebruik van die ouderwetse wegenkaart psychisch duiden. Even terug naar mijn jeugd, mensen. Naar de jaren negentig, waarin Frits Bom het televisieprogramma De Vakantieman presenteerde. Een vast onderdeel van dit televisieprogramma was dat een verslaggever aan nietsvermoedende toeristen vroeg om hun vakantiebestemming aan te wijzen, op een blinde kaart van Europa (dus zonder landennamen). Met even hilarische als verbijsterende resultaten. Een zongebruind echtpaar op het strand aan de Costa del Sol, wees zomaar Polen aan op de kaart in plaats van Spanje. In mijn ergste nachtmerries overkomt het mij dat ik zo’n topografisch onbenul word, die de kust van Albanië aanziet voor Texel. Volgens mij overkomt je dat makkelijker wanneer je klakkeloos de instructies van het navigatiesysteem volgt. Om die reden ben ik trouw gebleven aan de wegenkaart, zodat ik exact weet waar ik ben.

Toch ging het kaartlezen in Scandinavië niet probleemloos. Normaal gesproken zijn mijn vriend en ik goed op elkaar ingespeeld bij het navigeren. Maar tijdens het rijden door Scandinavië was er regelmatig sprake van spraakverwarring.
‘Wat is de snelste route naar ‘jutteborije’?’ vroeg mijn vriend.
‘Dat staat niet op de kaart,’ antwoordde ik.
Het stond echter wèl op de kaart als Göteborg. Ik sprak dat uit “geuteborg”, inclusief zo’n typisch Hollandse harde ‘g’.

In Scandinavië strooien ze kwistig met extra leestekens – rondjes, trema’s en streepjes – over of door de klinkers. Door eerdere vakanties in Noorwegen kent mijn vriend de juiste uitspraak van al die Scandinavische klinkers. Ondertussen begreep ik volstrekt niet waar hij het over had. Sindsdien is mijn begrip van de Scandinavische talen iets verbeterd. Een ‘å’ spreek je uit als een ‘o’. En de ‘ø’ wordt uitgesproken als ‘eu’. Toch ben ik dankbaar dat het Engels is uitgegroeid tot wereldtaal, en niet het Zweeds. Die malle Scandinavische klinkers lijken ergens heel charmant, maar zijn ondertussen een soort van satanische variant op de Duitse naamvallen.

08/09/2014

Glamping

Mijn vriend had het onzalige idee om tijdens de vakantie te gaan kamperen in Ierland. Ik voorzag een vakantie in een tamelijk troosteloze omgeving, schuilend voor de aanhoudende regen in deprimerende Ierse pubs met een grote pint Guinness voor onze neus. Mijn vriend intens gelukkig, ik verschrikkelijk chagrijnig.

We stammen allebei af van een nest van volbloed kampeerders. De zomervakanties in onze kindertijd brachten we kamperend door. Het was daarom te verwachten dat dit een innige band schept, en we als ware nomaden met een tent door Europa zouden trekken, met de zon als ons enige kompas. We hebben zeker een innige band, al kan ik niet uitleggen waarop die band precies gestoeld is. Gezamenlijk kamperen doen we namelijk zelden, ondanks een zolder die tot de nok toe gevuld is met tenten, slaapzakken, luchtbedden, haringen, hamers, gasflessen, ‘n campingstelletje, thermoskannen en nog enkele andere benodigdheden voor ‘primitief’ kamperen.

Mijn vriend oppert regelmatig de mogelijkheid om te gaan kamperen. Dit brengt hij altijd subtiel ter sprake, omdat hij weet dat dit een gevoelig onderwerp voor me is. Door een opvoeding met overvloedig kamperen had ik in theorie ook een ‘happy camper’ moeten zijn. Maar ik weet precies waar het mis is gegaan. Dat was op een wilde camping ergens in Roemenië. De eerste boom – steeds hoger – op de berg waar nog geen hoopje verfrommeld toiletpapier achter lag, deed dienst als toilet. Ergens op die vermaledijde Roemeense berg, besloot ik dat ik nooit meer wilde kamperen.

Zo’n voornemen is lastig in praktijk te brengen als je verliefd wordt op iemand als mijn vriend, die erfelijk belast is met kampeergenen. Om de paar jaar stem ik er daarom mee in om te gaan kamperen. Onder de strikte voorwaarde dat ik bij aankomst eerst de hygiëne en privacy van het toiletgebouw inspecteer. Op basis daarvan beslis ik of de camping geschikt is om de tent op te zetten.

Inmiddels kent mijn vriend me goed, dus had hij een goede onderhandelingstactiek bedacht. Nadat ik Ierland had afgekeurd als kampeerbestemming, moest ik wel toestemmen om in Zweden van hut naar hut te trekken. Een kampeerfanaat noemt dat schamper ‘glamping’, een afkorting voor glamoureus kamperen, omdat er geen tent aan te pas komt. De hutjes hebben zelfs een stapelbed. Een vakantie waarin ik elke nacht verstrikt raak in een slaapzak, en ik de wastafel en het toilet deel met nog honderd anderen, voor mij is dat primitief genoeg.

16/08/2013

Sandaal

Mensen met een voetfetisj heb ik nooit begrepen en ga ik ook nooit begrijpen. Misschien is dat de reden waarom ik de porno uit de jaren zeventig de enige acceptabele variant vind, van het verder zo schimmige filmgenre. Daarin houden de mannen gewoon de witte sportsokken aan, wat ik dus een voordeel vind. Voeten vind ik namelijk een van de meest onwelriekende onderdelen van het menselijk lichaam.

Elk jaar zie ik op tegen de zomer. Met het verschijnen van de eerste zonnestralen, verschijnt ineens ook de teen in vol ornaat. Die je zie je dan overal om je heen terwijl je een salade geitenkaas zit te lunchen op een zonnig terras. Al zit er nog zo’n mooie pump of orthopedisch verantwoorde sandaal omheen, ik vind die ontblote tenen dus onsmakelijk. Alleen bij kleine kinderen kan het wel, van die worstachtige teentjes in zo’n schattig klein, gekleurd sandaaltje. Dat vertedert me.

De meeste vrouwen doen aardig hun best om hun tenen goed voor de dag te laten komen. Ze zijn naar de pedicure geweest, de teennagels zijn gelakt in een fris lentekleurtje. Naast zo’n verzorgde vrouw loopt alleen meestal een man die zomaar zijn voeten in sandalen steekt. En zijn voeten zijn bleek, knokig en en de hiel is bedekt met een dikke laag van dat geelachtige eelt. Ik vind dat ronduit afstotelijk. Daarom begrijp ik de kledingvoorschriften op mijn werk die slippers en sandalen bij mannen verbieden.

Omdat ik zelf ook over onbehouwen, mannelijke voeten beschik, blijven mijn voeten in de zomer altijd uit esthetische overwegingen bedekt. Gelukkig stijgt de warmte in Nederland nooit boven het niveau dat een paar dunne gympen te zweterig worden. Toch zit ik met een gevalletje gewetensnood.

Volgende maand trek ik een paar weken langs de westkust en door Death Valley in Amerika. Er worden daar temperaturen van dik boven de veertig graden Celsius voorspeld. Het liefst pas ik mijzelf volledig aan zodat ik niet als overduidelijke toerist opval tussen de Amerikanen. Daarvoor moet ik dan van die lompe, spierwitte gympen aan. Met de voorspelde hitte gaat me dat echt te ver. Ik word al misselijk als ik denk aan de zweetgeur die dan vrijkomt bij het uittrekken van mijn schoenen.

Dus heb ik nu al twee keer bijna een paar Birkenstocks gekocht. Ze liepen prettig. Het uitzicht op mijn bleke tenen moet ik maar aan gaan wennen. Er is voor alles een eerste keer. Zelfs voor een paar sandalen.

30/04/2013

E-reader

De voorbereiding voor onze jaarlijkse zon- en leesvakantie in Turkije was tot nu toe altijd nogal stressvol. Waar mijn vriend voor een twee weken durende vakantie aan vijf-en-driekwart boeken genoeg heeft, ligt mijn leestempo iets hoger. Ik verslind gemiddeld per dag 350 tot 400 pagina’s. Behalve lezen doen we verder vrijwel niets, nou ja, op eten, drinken, slapen en eindeloos insmeren met zonnebrandcrème na dan. Ik heb dus ongeveer anderhalf boek nodig om de dag door te komen.

‘Dat is slechts een kwestie van genoeg boeken inpakken,’ hoor ik je denken. De beperkende factor is alleen dat ik van de luchtvaartmaatschappij maximaal twintig kilo aan bagage mag meenemen. Het is toch wel handig als ik ook een schone onderbroek en wat sokken meeneem. Bijbetalen voor extra bagage wilde ik niet, want ik had net een fortuin uitgegeven aan die nieuwe boeken. Dus eindigde het inpakken altijd met het ritueel waarbij mijn vriend herhaaldelijk met een koffer op de weegschaal ging staan om te controleren of mijn bagage onder het maximumgewicht bleef. Met tussendoor veel in- en uitpakmanoeuvres waarbij ik een dikke roman voor een dunnere omruilde.

Voor de afgelopen vakantie had ik dit terugkerende probleem handig opgelost: eindelijk heb ik een e-reader aangeschaft. Niet meer eindeloos wikken en wegen welke boeken ik wilde kopen. Ik kon gewoon onbeperkt boeken aanschaffen zonder na te denken hoeveel t-shirts ik daarvoor thuis moest laten. Daardoor schoot ik bij de inkopen flink uit met mijn pinpas. Bij het kopen van boeken op internet had ik ineens een andere, meer avontuurlijke boekenfilosofie.

Zo kocht lukraak ik het boek ‘Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt)’ van Ivo Victoria, omdat ik ooit een sympathiek interview met de schrijver had gelezen. Misschien had ik de titel beter moeten lezen voordat ik het boek kocht. Dan had ik opgemerkt dat het boek over wielrennen gaat. Een onderwerp waar ik dus helemaal niet van houd. Dapper begon ik mijn vakantie met dit boek. Het verhaal greep me totaal niet. Telkens hield ik mezelf voor dat aan het einde het allemaal op z’n plek zou vallen, zoals met sommige andere boeken. Maar na twee, lange dagen en het doorworstelen van honderdvijfennegentig bladzijden, concludeerde ik dat het boek van begin tot eind ronduit saai was.

Gelukkig stonden er nog tientallen andere – hopelijk mooiere – boeken op mijn e-reader. En ook had ik ruim genoeg kleren ingepakt.