Category “Gezondheid”

30/06/2016

Iris

Het is een gekke tegenstelling: iedereen wil oud worden maar er jong bij blijven. ‘Age ain’t nothing but a number,’ luidt een mooi Amerikaans gezegde. Ik vind het een leugen. Een oplopende leeftijd gaat gepaard met toenemende lichamelijke gebreken. Ik kan daar over meepraten. Laatst voelde ik na een dag met verhuisdozen slepen plots mijn rug. Dat was een nieuwe levenservaring. Het baart me zorgen want als dat nu al begint, hoe ben ik er dan over 31 jaar (op een pensioengerechtigde leeftijd) aan toe?

Mijn verwachting is eigenlijk dat we ouder worden schromelijk overschatten. Kijk maar naar de dagbesteding van de meeste gepensioneerden. Misschien hebben mijn opa en oma gewoon een belabberd voorbeeld gegeven, dat kan ook. De een kreeg een hersenbloeding, de ander dementeerde. Hun laatste levensjaren kwijnden ze weg een verpleeghuis. Anderen besteden tijd aan het opvangen van kleinkinderen. Maar zonder kinderen wordt dat voor mij lastig. De wereld gaan rondreizen als gepensioneerde lijkt mij ronduit een slecht idee. Na gemiddeld drie weken neem ik geen nieuwe indrukken meer op, of ik krijg heimwee. Zonder enig idee hoe je – met de nodige lichamelijke gebreken – invulling geeft aan zo’n zee aan vrije tijd, zie ik er tegenop om ouder te worden.

Ik kreeg een ander perspectief door een documentaire op Netflix, over de 93-jarige Iris Apfel. Zij staat met een wandelstok nog volop in het leven. Haar lichaam laat het een beetje afweten maar haar persoonlijkheid is intact. Geen geranium in zicht! Iris tart alle verwachtingen die ik had van een bejaarde. Haar kledingstijl is kleurrijk, en dat combineert ze met een enorm zwart brilmontuur met joekels van jampotglazen. Ik weet dat dit vreselijk onmodieus klinkt maar gek genoeg staat het haar. Door haar extravagante kledingstijl is Iris uitgegroeid tot stijlicoon. Op hoge leeftijd staat zij in allerlei modebladen en geeft gastlessen over styling. De grootste grap vind ik dat Iris graag plastic armbanden en bizarre kettingen combineert met designerkleding. Van haar passie, het verzamelen van bijzondere kleren en accessoires, heeft zij haar levenswerk gemaakt. Je ziet haar opleven zodra ze een nieuw begeerlijk object heeft gespot.

Iets zegt me dus dat gepassioneerd verzamelen het geheim is van gelukkig oud worden. Een verzameling is nooit af dus je er eeuwig mee bezig blijven. Alleen vind ik niets de moeite van het verzamelen waard. En heb ik al helemaal geen flauw benul wat mijn passie is.

18/01/2016

Poepen

De buurt spreekt er collectief schande van, maar ik ben vol bewondering voor de pakketbezorger die bij ons in de straat op klaarlichte dag in de zandbak heeft gepoept. Dat wil ik ook durven: schaamteloos een drol draaien. Zonder nadenken over wat anderen daarvan vinden. Natuurlijk ken ik het aloude argument dat elk levend wezen poept. Ondanks dit besef blijft het drukken voor mij minstens zo beschamend, vooral wanneer ik in het gezelschap van anderen ben.

Het gedeelde toiletgebouw is de voornaamste reden dat ik weiger te kamperen. Of met een toiletrol onder de arm de halve camping over te flaneren. In een restaurant stel ik het toiletbezoek altijd uit totdat ik thuis ben. Als je samenwoont heb je beperkte privacy. Gelukkig werd het bouten – na een gênante eerste keer – steeds makkelijker. Mijn vriend en ik hebben wèl strikte ongeschreven regels voor het toiletbezoek. De verdeling is dat hij boven naar de wc gaat. Ik gebruik het toilet beneden. Verder vermijden we stoelgang als gespreksonderwerp. In een relatie is openheid een groot goed, maar sommige dingen moet je gewoon voor jezelf houden.

Met een fulltime baan is er geen ophouden aan als je continu op kantoor bent. Daarom heb ik vaste rituelen ontwikkeld om me zo onopvallend mogelijk te ontlasten. Ik camoufleer het doen van een grote boodschap met het ophalen van een kop koffie.

Alleen de timing blijft lastig. Ik kan onmogelijk ongegeneerd plonsen als een deur verderop er iemand meeluistert. Want daarna sta je met diezelfde collega in een ongemakkelijke stilte je handen te wassen. Misschien moet ik eens proberen om die gespannen sfeer te doorbreken met een luchtig praatje (‘Zo, dat luchtte op!’). Voorlopig is mijn tactiek om net zolang te blijven zitten totdat de ander heeft doorgetrokken.

En wanneer ik – na een Mexicaanse bonenschotel – verwacht dat er een doordringend luchtje aan zit, of buikkrampen heb die altijd resulteren in knetterende spetterpoep, dan ga ik naar een wc op een andere verdieping. Bij voorkeur op een afdeling waar ik niemand ken. Om na afloop ongezien weg te sluipen naar mijn eigen werkplek.

De pakketbezorger werd na aandacht van de lokale pers ontmaskerd. Al vind ik dat hij ten onrechte zoveel shit over zich heen krijgt. Zonder ‘n toilet in de bestelbus, snap ik best dat hij de zandbak als menselijke kattenbak gebruikte. Tijdens werktijd ontlasten we allemaal weleens, nietwaar? Geen enkele reden om daarover bekakt te doen.

11/01/2016

Windei

Morgen moet ik Ingrid, mijn secretaresse, vragen om te bellen met die lui van Foodwatch. Ik ben benieuwd of we nog een trofee krijgen voor het winnen van het Gouden Windei? Volgens mij stikt die organisatie van de dikbetalende donateurs? Dan kan er best een leuk beeldje vanaf, toch? Albert Heijn heeft meer prestigieuze prijzen gewonnen, dat geef ik toe. Maar ergens achteraan op een plankje in het hoofdkantoor in Zaandam, is er vast plaats om zo’n verguld eitje uit te stallen.

Ik vind het maar onterecht hoor, dat we de prijs gewonnen hebben. Hoe durft Foodwatch onze gedroogde cranberry’s tot ‘suikerbom’ te bestempelen? Inderdaad, de cranberry’s bestaan voor slechts 30% uit veenbessen. Maar de rest is pure ananassiroop. Dat bestaat voor 100% uit zeer geconcentreerd fruit. Zelfs het voedingscentrum verkondigt dat fruit onderdeel is van een gezond dieet. Het lijkt mij volkomen legitiem dat we dit als ‘superfood’ in de schappen leggen. Ingrid moet dat eens navragen bij juridische zaken. Dan beginnen we de volgende keer gewoon een rechtszaak tegen die betweters bij Foodwatch.

Ze begrijpen volkomen niet hoe duur de productie van die rottige cranberry’s is. Aan zo’n struikje groeien er verdomd weinig besjes hoor. Als je ze dan af en toe in de bonusaanbieding wil doen, kan het alleen door de boel aan te dikken met wat ananassiroop. Dat is de harde werkelijkheid, mensen. Wij van Albert Heijn moeten ook winst maken! Anders gaan de aandeelhouders klagen. En geloof me, daar lig ik als bestuursvoorzitter eerder wakker dan van een paar idealistische foodwatchers.

Toch riekt die hele verkiezing naar fraude. Het is toch vreemd dat die stakkers van de Aldi hun nominatie voor dat verrekte windei niet hebben verzilverd? Hun zogenaamd rijkgevulde truffelpasta bevatte maar 0,0006% truffel. Onze cranberry’s bestaan voor ruim 30% uit cranberry’s. Waarom verliest de Aldi dan de verkiezing voor het meest misleidende product? Al moet ik eerlijk bekennen dat deze prijs ons geen windeieren heeft gelegd. Alle aandacht is toch gratis reclame, hè? Overal in de media schrijven ze dat Albert Heijn voortaan het percentage cranberry’s verdubbelt. En zonder dat het product is aangepast, is de verkoop van de cranberry’s al met ruim drieëntwintig procent gestegen. Zelfs met een dure reclamecampagne op televisie boeken we nooit zoveel succes.

Als alle persaandacht geluwd is moeten we Foodwatch maar een flesje wijn toesturen. Een biologische, natuurlijk. Als bedankje. Dat vraag ik morgen meteen even aan Ingrid.

30/11/2015

Torso

‘Watskeburt?’ dacht ik toen er een rel ontstond over de cover van de laatste Men’s Health. Daarop stond Faberyayo, alias Pepijn Lanen, met een gespierd bovenlijf. Toegegeven, ik had Pepijn ook niet ingeschat als een sportief type. Vroeger vond ik hem uitgesproken onmannelijk met zijn magere postuur. Maar door zich twee jaar intensief af te beulen in de sportschool, had de rapper ineens een imposante sixpack gebrouwen. Verfrissend voor iemand uit een scene die vooral bekend is met sixpacks uit het koelvak. Toch deed deze imagoverandering me carrièretechnisch onverstandig aan. Menig breezersletje ligt al jaren aan Faberyayo’s voeten, juist vanwege zijn ineengedoken, slungelige lijf. Ik begreep niets van zijn ambitie om in een bodybuilder te veranderen. Daarom kocht ik het blad om het bijbehorende interview te lezen.

Ten opzichte van de wonderlijke transformatie van Pepijn was de aanleiding om te gaan sporten verrassend doorsnee. De jeugd wordt volwassen. En drank, drugs en rap-‘n-roll beginnen dan vanzelf hun tol te eisen. Hij kreeg paniekaanvallen bij drugsgebruik. En de katers begonnen hem tegen te staan. ‘Ik ben nu in een fase in mijn leven waar daar geen plaats voor is,’ zegt Pepijn over dat hij de verdovende middelen tegenwoordig laat staan. Omdat hij doordeweeks behoefte had aan structuur (zonder optredens heeft een artiest weinig te doen), was hij maar gaan trainen. Niet eens met zijn homies. Maar met Arie Boomsma.

Deze plotselinge volwassenheid van dit jeugdidool baarde me zorgen. Kan een gezondheidsfreak tegelijkertijd credible zijn als rapper? Op Instagram en Twitter zocht ik naar reacties van fans op de coverfoto. Er waren veel lacherige reacties. Afgewisseld met totaal ongeloof over Pepijn’s gespierde torso. En, waar ik al bang voor was: de meeste vrouwen vonden zijn hoofd, met dat halflange kakkerskapsel, te smal voor Pepijns opgepompte bast.

De rel ging over dat de cover mogelijk was gefotoshopt. Al zie ik dat soort geruchten altijd online, zodra iemand goed op de foto staat. Veilig vanachter een beeldscherm iemand anoniem afkraken, volgens mij uit jaloezie, omdat hij geen laf excuus bedenkt om met sporten te stoppen. En zich met frisse tegenzin 4 à 5 keer per week naar de sportschool sleept. Niemand die even de tijd neemt om aan de nieuwe, viriele Faberyayo te wennen. Nijdig sloeg ik het blad dicht en toen las ik een andere, bedenkelijke kop op de cover van Men’s Health: ‘Het nieuwe dieet dat kanker verslaat.’ Daarover had beter een rel kunnen ontstaan.

23/07/2015

Souvenir

Vanaf welk moment regen voor mij synoniem is geworden met binnenblijven, dat weet ik niet exact meer. In mijn jonge jaren vond ik het heerlijk om in de regen buiten te spelen. Lekker met een lange stok in de verse blubber poeren. Of met mijn laarzen aan in elke plas springen die ik tegenkwam. Tegenwoordig heb ik zelfs geen flauw benul meer waar je een paar laarzen koopt. Niet dat ik laarzen nodig heb, als er nu ook maar 1 wolk aan de horizon drijft dan spring ik pas op de fiets nadat ik de buienradar grondig heb bestudeerd. Bij een twijfelachtige weersvoorspelling neem ik gewoon de auto. Zo’n hekel heb ik aan regen, of eigenlijk aan het doorweekte en onderkoelde gevoel dat je hebt, nadat je bent overvallen door een onverwachte regenbui.

Het moet dus een vlaag van verstandsverbijstering zijn geweest dat ik een zomervakantie boekte naar het natte Ierland. Meteen bij aankomst realiseerde ik mijn vergissing en controleerde de eerste uren ziekelijk vaak de buienradar. Daarop was Ierland onvindbaar omdat het eiland volledig werd bedekt door een grijze brei van regenbuien. Als ik tijdens mijn vakantie meer wilde zien dan truttig ingerichte slaapkamers en de binnenkant van een Nissan Micra, dan zat er niets anders op dan de regen te trotseren.

Of het kwam doordat ik alsmaar het mantra ‘de huid van een mens is waterdicht’ opdreunde, durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar mijn voornaamste ontdekking in Ierland is dat regen best meevalt. Ik werd namelijk altijd minder nat van de regen dan ik vooraf had verwacht. Het hielp natuurlijk dat ik een regenjas met capuchon had aangetrokken. Dat regenkind van vroeger kwam weer een beetje in mij naar boven. Zo stond ik ineens uitzinnig schreeuwend op een winderig strand in de regen. En begon ik kinderlijk blij over regenplassen heen te springen. Nee, ik sprong er niet in. Als volwassene denk je onherroepelijk na over dat modder alleen op 60°C uit je broek valt te wassen.

Ik was helemaal vergeten hoe lekker de natuur ruikt na een regenbui. Alsof de wereld na een verkwikkende douche helemaal schoongewassen is. Alsof de aarde een welriekende boer laat nadat zij haar dorst gelest had met het weldadige hemelwater. (Zoals je merkt deed alle buitenlucht me goed, ik werd er poëtisch van.) Deze onvergetelijke vakantieherinnering breng ik als souvenir mee naar huis, naar het regenachtige Nederland.

 

23/06/2015

Stoned

‘Who says I can’t get stoned?’ is de openingszin van een fijn liedje van John Mayer. Deze retorische vraag heb ik mezelf ook regelmatig gesteld. Vooral sinds ik aangekondigd had dat ik dit jaar een flinke joint wilde roken. Er werd in mijn omgeving raar opgekeken van mijn goede voornemen. Het wekte de indruk dat Nederlanders helemaal niet zo ruimdenkend zijn over drugs, zoals we zelf graag doen geloven. Voor mij een uitstekende aanleiding om een geestverruimende drug te proberen.

Problematisch was dat ik zelf helemaal niet een coffeeshop durf binnen te stappen. Ik ging dus gretig in op een uitnodiging om bij een vriend thuis high te worden. Hij had namelijk nog wiet in de vriezer liggen. Het blijkt dus dat je, net als de spruiten en tuinbonen, wiet vers blijft door het in te vriezen. Mijn geest werd meteen al verruimd door deze baanbrekende huishoudtip.

Afgelopen weekend zat ik met wat vrienden rond een waterpijp. De waterpijp was een zelf in elkaar geknutseld geval van een een petfles en een balpen. Om over de longen te roken moest ik eerst het gebruik van de waterpijp doorgronden. Eerst moest ik inademen met mijn vinger op een gaatje in de fles. Om daarna te inhaleren zonder de fles af te sluiten. Voor iemand die de blokfluit al een uitdagend instrument vond, was het bepaald niet makkelijk. Nadat het eindelijk me gelukt was om wat van de rook te inhaleren, keken we naar Judge Dredd. Door de slow motion beelden in de film bedacht ik een briljant concept om door de tijd te kunnen reizen. Ergens halverwege de uitleg van mijn hypothese aan vrienden, had ik in de gaten dat ik onzin uitkraamde. Ik was stoned. Ik kreeg een vreetkick. En toen viel ik in slaap. Van de rest van de avond herinner ik me niets.

Deze ervaring rijker, probeer ik te bedenken wanneer ik ooit weer de behoefte krijg om een joint te roken. Ik kan één praktische toepassing bedenken waarvoor het nuttig is om high te zijn. Voor iemand zoals ik, met hoogtevrees, is het prettig om op grote hoogte in een vliegtuig stiekem een jointje op te steken, zodat ik de rest van de vlucht slapend doorbreng. Met als risico dat je betrapt wordt en de vakantie in het buitenland begint in een spartaanse cel.

Of ik geef eerlijk toe dat stoned zijn nergens goed voor is. Hoe bekrompen dat ook klinkt.